Francis 2003

BUMBA

19/12/03 – 05/01/04

NSIMALEN

Het was 11 jaar en 1 maand geleden dat ik op de tarmac van “L’aeroport International de Yaounde – Nsimalen” stond, en nu stond ik er weer. Weliswaar achter het ruitje van een SN Airbus, maar toch, het deed me iets. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan dat ik het vluchtschema niet beter had bekeken en geen dag tussenstop had uitgetrokken. Langs de andere kant bleven mijn herinneringen wat ze waren en daar kon ik wel mee leven.

Tijdens het landen had ik niet zonder gevoel van melancholie zitten staren naar het eindeloze groen van het Kameroenese regenwoud dat af en toe werd opengereten door een roodbruine piste of verstoord door het geflikker van golfplaten daken in de zon. Littekens in een voor de rest eenvormig groen tapijt.

Hoe meer Yaoundé naderde, hoe dunner de kruinen werden en hoe meer kale plekken de jungle ontsierden. Bij het landen regende het herinneringen. Ik kreeg er, och here toch, zelfs een krop van in de keel die verdween toen ik op 30 meter van de landingsbaan een zwarte vrouw zag die relax wat in het gras schoffelde, het passerend vliegtuig negerend. Een hond lag even verder gedesinteresseerd naast de tarmac. “Aaaaaaah l’Afrique, dacht ik, en ik voelde mij weer een beetje thuis.
12 jaar geleden was ik hier als 28 jarig europees broekje naar toegevlogen, gefocust starend naar het vliegtuigje op de grote landkaart vooraan in het vliegtuig. Ik voelde mij een ware avonturier toen we de grenzen van Europa verlieten en al een kleine Stanley toen we Noord-Afrika binnenvlogen. De kleine Stanley was wel meer op zoek naar het verleggen van zijn eigen grenzen dan naar de bronnen van de Nijl, maar soit.

Na een jaar Kameroen was mijn liefde voor Afrika groot, maar “les choses de la vie” deden mij naar Europa terugkeren voor een nog grotere liefde, namelijk mijn lief en latere vrouw Aagje. 11 jaar later bleek dat geen zo’n slechte beslissing te zijn geweest, want ze zat rustig naast mij een artikel te lezen over “prozac in het peloton”. Mijn passie voor voetbal had ik nooit op haar kunnen overbrengen, maar met de koers was het dus blijkbaar wel gelukt.
Sedertdien hadden we rugzaksgewijze een aantal landen bezocht in Azië, Noord-Afrika en het Midden Oosten, maar l’Afrique Noire hadden we, misschien bewust, nooit meer aangedaan.

Anderhalf uur later verlieten we deze niet onaardige luchthaven, een witte olifant die er twaalf jaren geleden werd neergepoot door een stel Duitsers. Kado voor le President Biya, de corrupte en door Frankrijk gesteunde president . Het luchthavengebouw toonde reeds tekenen van slijtage: de neons in de ooit fier verlichte letters van “Aeroport International Nsimalen Yaounde” waren hier en daar kapot, wat het geheel een kaduke indruk gaf. Naast ons was het enige andere passagiersvliegtuig die naam waardig een wit product: geen airline, alleen een kenteken beginnend met YU, en toch kwam er een resem zwarte passagiers uit.

Een uur later landden we in Njili-Kinshasa, waar nog minder neons in de lichtletters brandden. “Hoe dieper in zwart Afrika, hoe minder verlichting”, dacht ik.

Een regel die later bevestigd werd.

KINSHASA

Mathieu, de chauffeur van de Procure kwam ons afhalen, en tijdens de rit door Kin vroeg ik welke nu het beste bier was in Kongo, niet onbelangrijk gezien ons verblijf van een 17-tal dagen . Mathieu was duidelijk een aanhanger van Skol terwijl zijn medepassagier het op Primus hield. Toen ik opmerkte dat er duidelijk meer Primus-reklame langs de weg te zien was, bewees dat volgens Mathieu zijn gelijk. Skol was zo goed dat het geen reklame behoefde terwijl Primus slechts kon verkopen door publiciteit te maken. Voor dit niet onaardig staaltje Afrikaanse logica kon ik wel respect opbrengen. Ik besloot voortaan Skol te drinken.

’s Anderendaags ’s morgens vertrokken we met Mathieu voor een ritje door Kinshasa. Een stad die opvalt door zijn laagbouw, het vele groen en braakliggende stukken grond. Niet zozeer de vrucht van een voorbeeldige stadsplanning dan wel door gebrek aan geld, veroorzaakt door de tomeloze corruptie van zijn parasiterende leiders.

Op een bepaald ogenblik vroeg Mathieu ons of we een school, de Lycée Motema Mpiko,  wilden bezoeken waar hij nog gewerkt had en waar de directrice een belgische dame was. Dat wilden we wel. Uit ervaring wisten we immers dat een school bezoeken altijd goed is voor wat lol. Dirigenten hebben dan de neiging om hun beste leerlingen naar voor te roepen, die dan bol van de zenuwen hun kunnen moeten demonstreren en de eer van de school verdedigen. Blank zijn wordt in de meeste ontwikkelingslanden niet alleen gelijkgesteld met  rijk zijn, maar ook met erudisme.

We hadden geluk: het was net de laatste schooldag voor de kerstvakantie en de leerlingen, allemaal meisjes, voerden een kersttheater op. Stichtende verhaaltjes over “la bonté de Dieu”, een kerstverhaal, een koor dat “We are the world” zong in een Franse en Engelse versie……. “Man, man, man,” dacht ik, “voor nog geen duizend vakanties in vijfsterren hotels wil ik dit ruilen.”
Intussen waren we als eregasten op de eerste rij beland naast de directrice, Françoise Demeyer, een kranige oude vrouw. Ze vertelde ons dat ze al 49 jaar in Kongo zat en haar secundaire school 920 meisjes telde. Ik vertelde haar terloops dat ik voor een Amerikaans bedrijf werkte en dus dagelijks Engels praatte, wat algauw zou resulteren in mijn persoonlijke ‘5 minutes of glory’. Na het kersttheater en de speech van de directrice werd ik immers gevraagd om als gast een woordje in het engels te plaatsen. Dat de directrice zei dat ik “pour les Americains” werkte viel blijkbaar in goede aarde want de ongeveer 500 aanwezige meisjes begonnen enthousiast te gillen. Ik begon mij nogal goed in mijn vel te voelen en rook mijn kans op goedkoop succes. Yes!

Platte trucs van de doorsnee Vlaamse charmezanger bezigend riep ik boven het gejoel uit dat ik “very happy to be here” was. Nog meer lawaai!
Ik vervolgde met “the performance on stage was wonderful” en “the songs magnificent”. Overweldigend getier en gejuich.
Het duurde een kleine minuut eer de zaal enigszins bedaard was en ik er nog aan kon toevoegen dat ik hun een “Merry Christmas and a fantastic 2004” toewenste.

Het kot op stelten!
Ik voelde mij Jim Kerr, Bill Clinton, Laurent-Desiré Kabila en Eddy Wally tegelijkertijd. Op een golf van gejuich wandelden we naar buiten, al zwaaiend naar onze enthousiaste nieuwe vriendinnen.

Ooit al eens bemind geweest door 500 zwarte vrouwen van, ik geef toe, enigszins jonge leeftijd? Ik wel.

Toen we terugreden naar de Procure hadden we gemengde gevoelens. Eindeloos respect voor de sterke vrouw die deze gerenommeerde school runde, maar ook veel vragen. Wat als ze wegviel? Zou deze oase van discipline en netheid in een hopeloos land ook snel opdrogen? Zou het worden zoals de rest: een gecorrumpeerde, gedesorganiseerde boel waar niks meer functioneert? Waar al wie enigszins een functie heeft alleen geïnteresseerd is in het dilemma: pak ik zo snel mogelijk of zo veel mogelijk? En waar je de indruk krijgt dat de enige bekwame managers die het goed menen de oude blanke paters en nonnen zijn? Het biedt zeer weinig hoop op een betere toekomst en de Kongolezen weten het…

In de namiddag maakten we nog een praatje met Pater Mullie, een krasse knar van 83 jaar die al tientallen jaren in gans Kongo geneesmiddelen importeert en verdeelt. De man had van zichzelf een kalender gemaakt met zijn foto, die hij ons welwillend meegaf, plus nog een aantal extra exemplaren om uit te delen. Nooit gedacht dat er ooit een kalender met de foto van een missionaris op mijn bureau thuis zou staan.

De directeur van de Procure, de beminnelijke en wat cryptisch pratende pater Alfons, nam ons mee naar het zwembad van de “Cercle Aleis”, een tennisclub en zwembad voor expats. Naast het gebruikelijke diplomatiek personeel werd het zwembad ook bevolkt door enkele ongure getatoueerde dubbelbrede mannen. Ik dacht aan servische huurlingen voor Oost-Kongo en bestelde toen maar een Mutzig om het door te spoelen.
Op de “boulevard du 30 Juin”, de hoofdlaan van Kin, maakten we een wandelingetje langs de paar bars en het fameuze hotel Memling. Stewardessen in het vliegtuig, maar ook pater Alfons, had ons gewaarschuwd dat we moesten opletten voor de “fausse police”. Mannen in politie-uniform die blanken tegenhielden en in hun auto draaiden om ze vervolgens geld af te troggelen. Als voorzorgsmaatregel hadden we niet veel geld mee, maar gelukkig kwamen we ze niet tegen.

Pater Alfons regelde het dat we ’s avonds met Mathieu geit gingen eten bij de Senegalezen in Matonge, de uitgaansbuurt. Matonge bleek een nogal donker gat te zijn met een aaneenrijging van bars en eettenten. Sommige straten hadden gewoonweg geen elektriciteit meer en volgens Mathieu waren deze handelaars “foutu”. De feestvierders van Matonge verkozen de bars met licht en muziek en feestten er tot ’s morgens vroeg. Saturday Night Fever à la Congolaise of hoe je als barman technisch werkloos kunt zijn.

 

ANTONOVSGEWIJZE DOOR HET KONGOLESE LUCHTRUIM

’s Anderendaags namen we de Antonov naar Bumba. Een oud maar pas geverfd wit kariot met rode streep waar we langs de achterkant werden ingestouwd. De Russische piloten in witte hemden monsterden vooraf nauwkeurig hun “cercueil volant”,  een al even Russische monteur veegde zijn vettige handen af met een doek vol olievlekken.

Als enige blanken kregen we 2 van de 4 beschikbare rode pluchen zetels toegewezen. Onze minder fortuinlijke medereizigers werden opeen geduwd op een bank in de lengte van het vliegtuig. Voor de rest was het toestel tot in de nok gevuld met de meest diverse prullaria: kartonnen dozen, grote witte zakken, valiezen, een kruiwagen, aan elkaar geknoopte fietsbanden, een ventilator, een trapladder, frigoboxen, een spade etc. Los op elkaar gestapeld.

Het  bemanningslid dat de hydraulische laaddeur aan de achterkant van het toestel manueel opkrikte of opende, een beetje zoals de laadbrug van een kamion, legde zich even later tussen deze massa te slapen. Aan luchtzakken wilde ik al lang niet meer denken, mijn persoonlijke gulden tropenregel voor dit soort toestanden respecterend: als je er niet aan denkt of niet naar kijkt, gebeurt het niet.

Tijdens de tussenstop in Lisala goten de piloten water op de schijfremmen, zodat een grote wolk stoom sissend opsteeg. Een inspectie van de bijna profielloze banden leerde mij dat ze door en door versleten waren.

Een aantal goederen werden opgeladen (onder andere een netje gedroogde vissen dat achter mijn zetel belandde) en andere weer uitgeladen. De stouwing was echter zo slecht dat een toren valiezen op een passagier dreigde om te vallen. Hij moest het gevaarte gedurende de rest van de reis regelmatig met gestrekte armen tegenhouden of hij kreeg het over zich.

Dit laatste half uur vlogen we regelmatig boven de machtige Kongostroom die op dat punt tot 22 km breed wordt. De stroom is bezaaid met eilanden, zodat je vanaf de kant dikwijls de indruk krijgt dat hij niet zo breed is. Als je hem probeert over te steken besef je dan dat je een heel eind tussen de eilanden door moet laveren voor je de overkant bereikt.

Bij het openen van de hydraulische achterdeur stond Carlos ons al op te wachtten. Het duurde meer dan 3 kwartier voor men erin slaagde onze rode metalen koffer uit de hoop bagage te vissen. Het was verbazingwekkend te zien hoeveel men uit het vliegtuig naar buiten bleef slepen. Toen de Antonov weer vertrok zaten wij al op de “barza” van Carlos een Skol te nuttigen en zagen, Duvelglas in de hand, het vliegtuig met veel geraas en gedruis langskomen.

Blijkbaar had een hoop mensen in Bumba hun hoop op ons gevestigd, want onmiddellijk, maar ook de volgende dagen, kwam men vragen of we geen “collis” hadden. De verwachtingen waren hoog: de ene had “de maten van zijn bril” opgestuurd naar België, de andere dacht een GSM te krijgen, de derde een fototoestel… Velen dropen ontgoocheld af. De gelukkigen huppelden breed lachend weg met hun pakje of envelop.

BUMBA

150 000 inwoners.

Monpero! Sango! Sango! (= priester. Wordt door jong en oud geroepen als Carlos langskomt)

Geen meter asfalt.
Geen elektriciteit.
Geen waterleiding.
Geen auto’s.
Geen benzine.
Geen bank.
Geen post.
Geen apothekers.
Geen dokters.
Geen telefoon (tot oktober 2003. Nu staat er een GSM-mast, de eerste telefoonverbinding sedert 40 jaar)
Laagbouw: lemen hutjes en oude vervallen koloniale huizen. Erosie spoelt de fundamenten weg .
Geelbruine pistes en paadjes doorkruisen de stad.
Palmbomen en groen tussen de met stro of golfplaten bedekte hutjes.
Geen bal te doen. Alles donker om 6 uur: veel, veel kinderen.
Blijde zwarte gezichten.
De machtige Kongostroom met zijn eilanden.
Toleka’s: de enige taxi’s zijn fietsen met een kussentje op de “porte-bagage”. Ze rijden tot 500 kilometer ver.
Zwoele, zwarte, zweterige nachten.
Skol (= het lokale bier).

VERKEERDE DIAGNOSE EN ZIJN GEVOLGEN

Al de eerste dagen rees er een probleem: in Ebonda, een stadje op 12 km van Bumba, bevond zich een dispensarium van het hospitaal dat Carlos indertijd had opgericht maar intussen had afgestaan aan een congregatie van zwarte zusters, geleid door de Luxemburgse soeur Joel. Daar hadden studenten van het plaatselijk graduaat een medestudent binnengedragen die zwaar ziek was.
Dit graduaat had een kwalijke reputatie. In hun schoolgebouw waren noch banken, noch schoolgerief en leraars waren er ook al niet te bespeuren. De jonge gasten verdreven hun tijd met een verkrachting hier, het lastig vallen van de plaatselijke bevolking daar en door amok te maken onder elkaar. Niet direct de fine fleur van Noord-Kongo.

De plaatselijke verpleger – er zijn geen dokters meer – diagnosticeerde malaria en de student werd aan een baxter gelegd. Toen na een tweetal uren geen beterschap volgde werd het zijn vrienden te machtig en ze eisten dat hij naar een ander hospitaal zou overgebracht worden. Geïrriteerd door zoveel voortvarendheid had de verpleger sik geantwoord dat ze hem  met rust moesten laten en dat ze de baxter zijn werk moesten laten doen. De volgende dag was er nog steeds geen verbetering opgetreden en zijn acolieten besloten om hem manu militari naar het hospitaal in Bumba te brengen. Daar constateerde men meningitis.

Toen de studenten hoorden dat de verpleger de verkeerde diagnose gesteld had, keerden ze terug naar Ebonda, sleurden de slapende man uit zijn bed en sloegen en stampten hem verrot. Daar de situatie uit de hand dreigde te lopen, grepen enkele lokale priesters in en konden hem nog net op tijd redden. Hadden ze niet ingegrepen dan hadden de studenten hem waarschijnlijk doodgeschopt. De  verpleger was al in bedenkelijke toestand toen men hem op zijn beurt overbracht naar een ziekenhuis in Bumba.
Het dispensarium in Ebonda was al niet direct de favoriete werkplaats van de verplegers en dit voorval maakte de toestand er al niet beter op. Niemand durfde er nog naar toe en de zieken die er lagen werden aan hun lot overgelaten.

Iedereen was het erover eens dat de reactie van de studenten onaanvaardbaar was en na enige palavers werd besloten het dispensarium te sluiten.

’s Anderendaags ’s morgens reden we met 3 moto’s naar Ebonda om de situatie te bekijken. Op de eerste moto zaten twee zwarte priesters, Carlos en een zuster-verpleegster volgden op de tweede en wij op de derde. De zwarte priesters vertrokken een kwartier vroeger aan Afrikaans tempo, want na 10 km haalden we ze al terug in. Bleek dat ze “een beetje hadden gebabbeld op de moto”.

De missie van Ebonda stamde zoals al de stenen gebouwen in de buurt uit de koloniale tijd. Een op de muur geschilderd wapenschild domineerde de living. De lijfspreuk van de missie bleek “NIET TOBBEN” te zijn geweest. Ik zag direct al oude paters met witte baarden en doffe ogen vol heimwee aan huis denken, maar na een blik op het wapenschild geworpen te hebben, welgemutst een pijp aansteken met Werviksen toebak, een pak kaarten uit de pij halen en een rondje manillen beginnen. Voorwaar een wijze spreuk!

De situatie werd besproken met de twee lokale priesters die de verpleger uit de handen van de studenten gered hadden. We moesten een half uur wachten voor de prefect van de school, zijn adjunct en de leider van de studenten er bij kwamen. Eigenlijk wilden we alweer vertrekken maar na enig over en weer gediscussieer werd besloten om toch nog eens te babbelen. De palaver kon beginnen.

Iedereen deed om beurt zijn zegje, terwijl de anderen geduldig luisterden, waarop vervolgens iemand anders het woord nam. De mannen van Bumba zeiden dat ze het dispensarium wilden sluiten. Waarop de prefect, getooid in een paars disco-hemd, zich in duizend bochten wrong en betoogde dat dit de plaatselijke bevolking zou treffen. Hij voelde de bui duidelijk hangen. Als het dispensarium zou gesloten worden zou de plaatselijke bevolking zich tegen de school keren en zou die, gezien de kwalijke reputatie, wel eens zelf kunnen gesloten worden.

Toen gevraagd werd welke acties reeds ondernomen waren, keken de twee mannen even hulpeloos naar elkaar. De studentenleider keek zelf niet meer op en staarde naar het kruispunt van twee tegels op de vloer.
Ze frutselden even aan hun vingers. Toen wierp de prefect een blik naar zijn adjunct en verbrak de stilte met een halfluid: “tu va le dire”. De adjunct, duidelijk tegenvoets genomen door het maneuver van zijn chef, schrok, twijfelde even en begon toen een lange exposé.

Hij verzekerde iedereen dat er in hun school een discipline heerste “pire que la discipline militaire”. Niet direct een doorslaggevend argument: beelden van kindsoldaten en kannibaliserende militairen schoten door mijn hoofd.
In grote concentrische cirkels bleef hij rond de kwestie draaien om na een vijftal holle minuten met zwier te besluiten dat hij “arrivé quelque part dans l’investigation” was. Ik proestte het een fractie van een seconde uit, maar kon mij gelukkig net op tijd weer serieus houden, een niesbui simulerend.

Intussen zat Carlos rustig te luisteren. Het was duidelijk dat hij zich niet wilde moeien tot iedereen gesproken had. Later bevestigde hij dit: eens iedereen gesproken heeft en er een vorm van consensus is, maakt hij een korte synthese en besluit als “wijze” de vergadering met een oordeel.

De prefect en zijn adjunct verzekerden op hun plechtige communicantenzieltje dat de verplegers in de toekomst zeker niks meer moesten vrezen, dat ze hun woord hadden dat alles voortaan rustig zou blijven en dat de studenten een “lettre de pardon” zouden schrijven. Daarop werd de vergadering met een verzoening besloten. De studentenleider fleurde weer op en begon weer rond te kijken. Een grapje hier, een grapje daar en iedereen weer tevreden.

De prefect en zijn adjunct namen me even later nog terzijde. Ze vroegen met grote stelligheid Père Carlos zeker niet mee terug te nemen naar België omdat hij hier “beaucoup de bon travail “ deed. Ik stelde hun gerust en verzekerde hun dat het niet mijn bedoeling was. Dit leek hun tevreden te stellen en met de witte tanden bloot zwaaiden ze ons uit.

Twee dagen later, op kerstmis, stierf de student en alles bleef rustig in Ebonda. De “lettre de pardon” kregen we nooit.

JOYEUX NOEL!

Dagen op voorhand begon de voorbereiding op het kerstfeest. Koren kwamen samen in de kerk, in gebouwtjes, en zelfs buiten werden bankjes geïnstalleerd waar de lokale zangtalenten hun kerstfeest voorbereidden. Het bonte volkje werd begeleid door tamtams en enkele andere plaatselijke instrumenten. De kelen werden opengezet en vrolijke kerstdeuntjes vulden de tropenlucht.

De repetities begonnen meestal in de late namiddag, zodat we prettig ontwaakten uit de siësta met Kongo-kerstgezangen. Al wandelend kwamen we van het gezang van het ene koor in dat van een ander terecht.

De kerst-mis zelf begon om zes uur ’s avonds. De kerk zat eivol en de lichten waren nog niet aangestoken zodat we wat onzeker in het halfduister naar voren schuifelden. Toen we aarzelden om te gaan zitten, dook een man op die ons naar de voorste plaats in de zijbeuk gidste. Groepjes kinderen hadden bezit genomen van de tredes voor het altaar en wachtten vol ongeduld op het begin van deze lokale megafestatie. De vooruitzienden kwamen binnen met hun eigen stoelen op de rug. Er was zoveel volk dat het aantal kerkstoelen ontoereikend was.

Met het aansteken van de generator flikkerden de neons aan en werden de laatste zaken klaargezet. Onder luid gezang, handgeklap en af en toe een lillende hoge kreet schreden Carlos en zijn acolieten door het voorportaal binnen, voorafgegaan door een kleurrijke stoet misdienaars. De diakens hielden groen-geel-rood beschilderde machetes opgericht in de hand en de misdienaars gingen hun vooraf met speren. Het leek of er een feestje zou gebouwd worden.

De acteurs van het kersttoneel kwamen op, maar net toen ze begonnen, vielen de lichten weer uit. Direct kropen twee helpers in de nok en schenen met een zaklamp op de scène. “Miljaar”, dacht ik , “dikke pech, net als de show begint valt alles uit.”

Belicht door de flauwe schijn van de twee zaklampjes van de mannen in het dak verschenen Jozef en Maria ten tonele. In hun armen het kindje Jezus, een zwarte mollige baby, die gedurende de voorstelling rond circuleerde van de ene armen naar de andere zonder ook maar een kik te geven. In tegenstelling tot het schaap van de herders, de enige figurant die zich niet scheen te amuseren en dat met luid geblaat liet merken. Waarop de herders een ferme trek aan het touw gaven en het beest weer even zijn muil hield.

Ik kreeg een danig medelijden met de acteurs die vol overgave hun ding deden en bijna niet verlicht werden. Net toen ik wilde opstaan om ook mijn zaklamp te halen en wat bij te lichten, floepten de neons weer aan. Het bleek dat dit de lokale versie van een lichtshow was geweest.

De mis duurde meer dan 2 uur, maar we verveelden ons geen moment. Gezang, geklap, kleur, opnieuw gezang dat spontaan leek op te borrelen uit het publiek. Kleine jeugdige danseresjes in een blauw jurkje en witte kousjes, met de hand zwaaiend met witte frullekens, dansten vrolijk bij elk liedje. Hun kleine lichaampjes schokten ritmisch mee op de muziekgolven. Mooi, mooi, mooi.

Toen Carlos in het Lingala het woord nam zag je de concentratie bij de toehoorders toenemen. Je zag de mensen nadenken en toen hij tot driemaal toe dezelfde vraag stelde werd telkens luider en luider ingestemd. Toen hij de preek met “Merci” beëindigde, antwoordde het volk met “Merci” en juichte hem luid toe. Hij deed me denken aan een vredelievende versie van Kolonel Kurtz uit Apocalypse Now. Ook hij had zijn eigen koninkrijk gesticht in de brousse. Ook hij werd verafgood door zijn volk. Ook hij had zijn eigen religie. Ver van het duffe, muffe gedoe van bij ons regeerde hij zijn “Carlosland”.

Ik had mij al een paar keer afgevraagd wat iemand in dit hopeloze land hield. Nu wist ik het: mijn “5 minutes of glory” van Kinshasa beleefde hij gewoon elke dag.

ROAD STORIES: EEN LAND OP ZIJN GAT, DEEL I

Ambtenaren, leraars, soldaten etc. zijn al jaren niet meer betaald door de door het Westen gesteunde regering. Gevolg: iedereen zoekt middelen om zijn spaarpot op creatieve wijze aan te dikken. Gans het land drijft op stelen. Van hoog naar laag, van jong naar oud, mannelijk en vrouwelijk, iedereen steelt graag een beetje. En nog een beetje. En nog een beetje.

Dit wordt nog bevorderd door het feit dat elke fundamentele staatsstructuur ontbreekt. Alles is corrupt, er is geen enkele rechtszekerheid. Door het verval van het onderwijs verslechtert de situatie jaar na jaar. Enkele pittige voorbeelden:

  • Een Griek bouwde een appartement in Kinshasa. Vooraf had hij een advocaat bij de hand genomen en meticuleus alle stappen ondernomen om zijn plannen te legaliseren. Dit was buiten de Afrikaanse waard gerekend. Toen het gebouw af was kwam plots iemand op de proppen die zei dat zijn stuk grond illegaal verkregen was. De Griek toonde de officiële papieren, maar de zwarte moet Aimé Desimpelsgewijze gedacht hebben “Keep it simple” en antwoordde dat de papieren vervalst waren. Er viel echter wel iets te regelen: voor een verdieping van zijn gebouw kon de zaak wel in der minne geregeld worden. Wat de Griek dan ook ten einde raad toestond.
  • Zijn idee kreeg navolging. Een dame had een stuk grond van een generaal gekocht, maar blijkbaar waren zijn kinderen daar niet zo gelukkig mee. Ze lieten de vrouw wel eerst twee nieuwe villa’s bouwen en herhaalden de truc van de illegale grond. Er viel wel iets te regelen als ze één van de twee villa’s zou afstaan. Toen de vrouw weigerde vloog ze de gevangenis in. Nu, vier jaar later, vecht ze proces na proces nog altijd voor haar villa’s.
  • De Kongolese ambassadeur in Japan liet zich ook niet onbetuigd: hij krijgt de pluim van de meest simpele oplossing. Op een dag had hij geld tekort en zocht een oplossing. Hij besloot om de ambassade te verkopen en het geld voor zichzelf te houden. Hij moest er zelfs niet voor uit zijn huis komen, een paar telefoontjes uit de knusse ambassadeurszetel volstonden. Alleen na de verkoop moest hij zijn huis uit, maar toen had hij, de waarde van de grond in Tokyo kennende, geld genoeg om een flatgebouw te kopen.
  • De bij ons zo bejubelde NGO’s hebben een nieuw elan. Het buitenland wil maar wat graag zijn geld investeren in een NGO, dus bedienen de creatieve Kongolezen het Westen op maat. De NGO wordt opgericht, het geld gestort en de NGO weer gesloten. Weer een gelukkige Kongolees!

 

DE SCHOOL

We bezochten de privé-school die Carlos in 1990 had opgericht. Zijn leraars krijgen 1 dollar per dag, dit is 1 dollar meer dan het salaris in de staatsscholen.

Het grote voordeel van zijn privé-school is dat er banken in de klassen staan en dat er pedagogisch materiaal zoals borden, stylo’s, schriften enz. voorhanden is. Normaal zegt U? Momentje. Niets van dit alles in het staatsonderwijs. In de klassen is er niks, maar dan ook niks. Geen bank, geen stoel, geen stylo, geen betaalde leraar.

Het enige wat op een klas wijst is een soort bord, waar enige aantekeningen in krijt op staan. Diezelfde aantekeningen staan er zes maanden later nog. De leerlingen brengen dan maar hun eigen stoelen mee en lummelen wat aan. In het derde studiejaar weten ze nog niet wat 1+1 is.

Zijn school is één van de beste scholen in het land. Gemakkelijk te kwantificeren: elke leerling moet om zijn einddiploma te halen in de zesdes een staatsexamen afleggen. Vergelijken is dus eenvoudig. Elk jaar behaalt zijn school (30 klassen van 45 leerlingen = 1350 leerlingen) de betere resultaten. Zijn leraars krijgen een bonus per geslaagde leerling, wat hen motiveert om het beste uit hun pupillen te halen.

We bezochten de lokalen. Een drietal meisjes werden erbij geroepen: wezen die door ons project gesteund werden en zo verder konden studeren. Vele kinderen verliezen hun ouders door de aids-epidemie die Bumba teistert en moeten opgevoed worden door hun grootouders, tantes enz. Die hebben meestal geen geld om het onderwijs te betalen. Ons project betaalt hun onderwijs en eventueel ook een pleeggezin. Nerveus verlegen schoven ze binnen om ons een hand te komen geven. Twee van de drie meisjes hadden het beste resultaat van de klas en het derde meisje zat in de betere helft. “Een goede investering”, dacht ik en liet ze tevreden het klaslokaal uitfladderen.

Het onderwijs is naar onze maatstaven niet duur: met 50 USD kan je een gans jaar studie en het nodige pedagogisch materiaal bekostigen. Wat minder is dan de prijs van een goed avondje uit eten gaan bij ons. Ter referentie: een nachtwaker verdient 20 USD/maand, een leraar tot 50 USD/maand: voor sommigen is dit bedrag dus reeds een onoverkomelijk probleem, waardoor veel talent verloren gaat.

Een aantal generaties zijn door het niet bestaande staatsonderwijs verloren gegaan. We waren het dan ook over eens dat het niet alleen nodig was om wezen in het lager en middelbaar onderwijs te steunen, maar ook om de beste studenten verder te laten studeren aan de goede universiteiten. De staatsuniversiteiten zijn immers van hetzelfde allooi als de scholen. Examens die niet doorgaan, leerlingen die moeten betalen om door de examens te geraken… De enige kans voor dit land om uit de vicieuze cirkel van geïnstitutionaliseerd profitariaat en zakkenvullerij te geraken is het creëren van een nieuwe intellectuele elite.

Werk aan de winkel, vééééél werk aan de winkel.

ROAD STORIES: Alternatieve gehandicaptenzorg ofte vrije val naar de hemel.

Het simpel houden kunnen ze wel, in den Afrique!

Toen Bokassa in Centre Afrique vond dat er in de hoofdstad wat teveel bedelende gehandicapten langs de straat lagen had hij volgend minder fijn maar efficiënt idee.

Hij inviteerde al de bedelaars van de stad voor een eetfestijn. Welgemutst en verblijd door het initiatief van hun chef, trok iedereen naar het schransfestijn en at het buikje rond.

Daarop inviteerde de grote leider hen voor een luchtdoop. Groot jolijt! Alle genodigden werden in het vliegtuig gestopt, het vliegtuig steeg op, vloog boven de brousse, waarop iedereen uit het vliegtuig werd gekieperd. Stad gekuist, Bokassa tevreden.

PECH: UW PARTNER STERFT

Dikke pech als uw partner sterft. Niet alleen is dit niet het leukste moment uit uw leven, maar door de lokale gebruiken krijgt U er nog een stevige uppercut bij.

– U bent mannelijk en jong, uw echtgenote sterft.

Als man koopt U uw echtgenote met de bruidschat. De bruidschat is onbepaald en wordt gedurende de rest van uw leven afbetaald. Als uw vrouw overlijdt is dit uw “schuld”.

Wat gebeurt er? De familie spoedt zich terstond en massaal in de echtelijke woonst. U mag bij elke handeling uw bruidschat verder afbetalen.
Als U naar het WC gaat.
Als U zich wast.
Als U het huis verlaat.
Als U weer binnenkomt.
Als U eet.
Als U het uur wil weten, enz.
U heeft het begrepen: bij elke handeling mag U uw portefeuille opentrekken.
Afhankelijk van de toestand van civilisatie kan dit van enige dagen tot enige weken duren.

– U bent vrouwelijk, uw echtgenoot sterft.

In dit geval heeft U het voordeel van de korte pijn!
De familie van de man komt naar uw huis en plundert gewoonweg alles. Als het huis leeg is gaan ze weg. U mag uw verdriet op de aarden vloer uithuilen.

Door de verslechtering van het onderwijs en het daarmee gepaard gaande gebrek aan opleiding worden deze toestanden frequenter.

EBOLA IN DE ACHTERTUIN

Iedereen kent het Ebola-virus van de uitbarsting in Kikvit een aantal jaren geleden. Het virus dankt zijn naam aan een riviertje dat op 100 km van Bumba ligt. In 1976 manifesteerde zich daar voor de eerste keer de fameuze ziekte die het bloed belet te coaguleren . Met andere woorden: het bloed wordt zodanig vloeibaar dat men uit poriën en lippen begint te bloeden. Een uiterst pijnlijke en gruwelijke dood.

Carlos maakte het mee, zijn getuigenis:

In September 1976 begon de miserie.
Op donderdag kregen we de melding dat er twee onderwijzers en een vrouw gestorven waren aan een mysterieuze ziekte in Yambuku, een missie bij Yandongi op een 100-tal kilometers hiervandaan. Er zijn hier echter zoveel verhalen die de ronde doen dat we er niet zo veel belang aan hechtten. Tot we de daaropvolgende zondag tijdens een priesterwijding in Ebonda hoorden dat er ook al een zuster gestorven was.

Ondanks de vele negatieve adviezen en waarschuwingen, besloot ik om direct naar Yambuku te rijden. Ik sprong in mijn wagen, haalde wat kleren in Bumba en reed terug naar Ebonda. Daar besliste de bisschop, die ook op de priesterwijding was, om mee te gaan.

Rond 8 uur ’s avonds kwamen we in Yambuku  aan. Er werd verteld dat een paar dagen voordien de paters twee dode, nog bloedende, apen hadden gekocht aan de Ebola-rivier. Ze hadden die achteraan in de pick-up meegegeven aan de intussen gestorven onderwijzers en die hadden de beesten op hun voeten gelegd. (Uit later onderzoek zou blijken dat het Ebola-virus oorspronkelijk alleen bij apen te vinden was en op de mensen is gemuteerd.)

De overleden zuster was intussen begraven en we mochten niemand de hand schudden. De bisschop voelde nattigheid en wilde direct terug, maar ik besloot te overnachten. Hij dus ook want hij kon niet weg.

De volgende dag werden nog andere lijken begraven. Ze werden van hun bedden gehaald door de lakens of mat waarop ze lagen bij de vier hoeken vast te nemen en zo in de lijkkist te droppen.

Drie dagen later, op donderdag, landde in Bumba een vliegtuig met medicamenten en een tweekoppig doktersteam. Op dat vliegtuig was ook een zuster mee die de vorige zondag in Yambuku  aanwezig was en die hulp was gaan halen.

Het enthousiasme om naar Yambuku te rijden was weeral laag, om niet te zeggen onbestaande, zodat ik besloot om er met de zuster naar toe te gaan. Het doktersteam en de medicamenten begeleidden ons met twee andere wagens die we toch nog konden meekrijgen.
De zuster schoof zo ver mogelijk van mij weg in de wagen. Toen ik haar vroeg waarom antwoordde ze dat ze besmetting wilde vermijden. Ik begon wat meer te zweten dan normaal.

Daar aangekomen bleek dat pater Germain Lootens, die de overleden zuster berecht had, ook ziek geworden was. Ik wou zien hoe het met hem ging, maar hij ontweek mij en riep van op een afstand: “Godverdomme Carlos, blijf weg van mij, ik ben aan het doodgaan.” De spanning werd ondragelijk.

Ze begonnen met bosjes te vallen, overal stierven mensen, apocalyptisch. De dokters trokken op vrijdag bloed van de zieken om het virus te kunnen analyseren in de labo’s van Kinshasa.

Ik besloot om te vertrekken samen met een zieke en een gezonde zuster.
Een pater die er waarschijnlijk schoon genoeg van had, zei dat hij ook ziek werd en kwam ook mee. Zijn ziekte was fictief, hij wilde gewoon weg uit de hel. “Beter een bange pater, dan een dode pater”, moet hij gedacht hebben.

In Bumba aangekomen werden de zusters en de pater in quarantaine geplaatst in een kamer van de zusters franciscanessen en werden vervolgens op het vliegtuig gezet richting Kinshasa. Daar werden ze in quarantaine in een hospitaal gestopt. Een zwarte zuster verzorgde hen.

Met de twee dokters dronken we gans die nacht in de bars een industriële dosis wijn “omdat het de laatste keer was”. Zwarte humor die we half geloofden…

‘s Maandags landde in Bumba eindelijk een vliegtuig met “het medicament”. Begrijpelijkerwijze was het enthousiasme om opnieuw naar Yambuku te rijden lager dan het nulpunt gezakt. Er zat niet veel anders op dan zelf weer in mijn jeep te springen.

De situatie was er niet op verbeterd. Pater Lootens brulde: “wat komt gij hier doen, ga weg, ga weg.”, terwijl de zuster die op donderdag met de wagen was meegekomen ook al lag te sterven. Ook zij riep dat ik niet dichter mocht komen, ik begon de situatie nu wel erg ambetant te vinden…

De volgende dag, op dinsdag, overleed pater Lootens. Niemand durfde hem te naderen, laat staan te begraven. Wat gedaan? We konden hem toch niet laten liggen in die warmte? We pompten twee zwarten wat moed in met een traktaat bieren en nadat ze voldoende binnen hadden waren ze mans genoeg om Lootens zijn laatste rustplaats te geven. Ze sprongen op het bed en zwaaiden het lijk in de kist. Een van de twee zwarten zou het niet overleven.

Toen ik weer wilde wegrijden bleek dat een quarantaine rond Yambuku was aangelegd. “Niet met mij” dacht ik, en vertrok naar Bumba. Hoe ik door al de versperringen ben gescheurd weet ik zo goed niet meer, maar ik denk wel dat ik er een heb moeten omver rijden. Ook een directeur en zijn vrouw zagen mijn idee wel zitten en kwamen met een moto achter. In Bumba aangekomen werden ze direct in een kamer van de “Hopital General” opgesloten in quarantaine.

Probleem: niemand wilde ze eten geven. Ze zijn verhongerd.

Op woensdag kreeg ik een enorme psychologische dreun. De bevolking was paniekerig geworden en meed mij. De spanning was te snijden. Niemand wilde mijn kleren nog wassen en toen ik een mis hield kwam niemand bij mij om een hostie. Ik stond vooraan met mijn kelk vol, maar iedereen ging netjes naar mijn medepriesters…

Ik was een paria geworden.

Ik nam het vliegtuig naar Kinshasa en in de Procure aangekomen bleek ik een lichte koorts te hebben. Deze 37.3 ° C zou de volgende dagen stabiel blijven. Toen vermoedde ik reeds dat mijn toestand niet zo ernstig was, omdat de koorts bij Ebola normaal direct heel hoog is.

In de Procure had ik niet gezegd dat ik in Yambuku was geweest. ’s Anderendaags werd ik overmand door twijfels en besliste om de overste te informeren. Om paniek te vermijden besliste deze laatste dat ik mij best kalm hield in mijn kamer, maar niets zou zeggen tegen de anderen.

Ik lapte dit enigszins aan mijn laars en besloot om aan twee machtige mannen van de streek steun te vragen voor het getroffen gebied. Ik ging dus op visite bij Bemba (de vader van de huidige vice-president en ex-rebellenleider) en generaal Bumba en vroeg hun om medicamenten te sturen. Daarna ging ik terug naar de Procure.

Fometro, een Belgische medische ploeg, kwam op vrijdag aan in de Procure en ik dreigde weer in quarantaine opgesloten te worden. Als ze hoorden dat ik in Yambuka geweest was was er geen houden meer aan. Tijd voor wat creativiteit: ik kon hun overtuigen dat dit geen zo’n goed idee was. Moesten Generaal Bumba en Bemba geweten hebben dat ik in Yambuku was geweest, dan ging het spel serieus op de wagen gezeten hebben. Het lukte en ik mocht weer vrij rondlopen.

De twee zusters en de pater die ik vervoerd had, hadden minder geluk. Toen ik ze ging bezoeken bleek dat ze in drie aparte kamers waren opgesloten. Niemand durfde er bij te komen. Als ze communie kregen werd de hostie onder deur geschoven: ook het “lichaam van Christus” moest wijken voor Ebola. Ze mochten het van de grond rapen…

Tot dan had men altijd gezegd dat wie de ziekte zeven dagen overleefde weer gezond werd. Ik was bijna aan het einde van mijn zenuwslopende wachttijd, toen bleek dat een zwarte verpleegster na veertien dagen was overleden. Ik mocht dus nog zeven dagen langer wachten, wachten, wachten… Intussen bleef mijn koorts constant op 37,2 – 37,3° C hangen.

Op vrijdag overleden de twee zusters die ik uit Yambuka had teruggevoerd. De pater overleefde.

EN VERDER

14 dagen na mijn aankomst in Kin mocht ik terug naar Bumba. Toen ik aankwam werd de bevolking gek van vreugde, het werd een triomftocht door de stad.

We gingen met de helikopter naar Yambuku om een kijkje te nemen. Iedereen droeg een wit beschermend pak met een masker en een kap. De zusters bleven op 100 meter van ons staan en wierpen ons brieven toe. Waarschijnlijk hun laatste wilsbeschikking of wat ze de wereld nog wilden laten weten. Niemand durfde ze oprapen.

Van de zeven paters en zusters in Yambuku overleefden er drie.

Wie ziek wordt heeft 2 tot 3% kans om er door te komen. Degenen die bleven leven hadden de ziekte “uitgezweet” en hadden geen koortsverlagende medicamenten genomen. Al de anderen stierven, in totaal ongeveer 300 personen. We weten nu dat de ziekte na de zevende generatie stopt, ook de tijd tussen de ontvangst van het virus en het tijdstip van overlijden wordt bij iedere generatie langer.

Toen men in 1986 de getrokken bloedstalen analyseerde bleken een stuk of 10 stalen ook het AIDS-virus te bevatten. AIDS was in 1976, toen alles gebeurde, nog niet gekend.

Kort na de deze gebeurtenis bouwde ik op algemeen verzoek mijn hospitaal. Het staat er nog, maar ik heb het overgedragen aan zusters. Het is het beste van de streek en is, pour la petite histoire, de trotse bezitter van de langste gecementeerde baan in Bumba. Namelijk het paadje langs de ziekenkamers.

 

LES PETITES HISTOIRES

– De meeste Kongolezen hebben geen vervoermiddel. Het bezit van een moto wordt beschouwd als een statussymbool, analoog aan de auto’s bij ons. Het sterkste staaltje van etaleren van status werd gebracht door een vrouw die geen moto of fiets had. Ze loste dit op door de bulldozer van haar man te nemen om zo haar vriendinnen te overtroeven. Ze werd er regelmatig mee gesignaleerd als ze naar de markt reed.

– We hebben het reeds gezegd: een Kongolees houdt van simpele oplossingen. De wegen in het land zijn op vele plaatsen quasi onberijdbaar geworden door de vele putten. Naast het onbestaande onderhoud is er nog een andere reden. Wanneer een wagen een platte band heeft graaft men, door het gebrek aan een krik, een kuiltje rond het getroffen wiel. Als de kuil diep genoeg is haalt men het wiel er af. Gevolg: elke platte band zorgt voor een nieuwe kuil. Aan de wegen te zien zijn er al veel platte banden geweest.

ROAD STORIES: EEN LAND OP ZIJN GAT, DEEL 2:

 

  • Mobutu besliste op zekere dag om een kathedraal te bouwen in Lisala. Het geld werd gestort en de aankoop van het nodige materiaal werd gedaan. Na verloop van tijd was er al zoveel geld gepikt dat de afmeting van de kathedraal in de plannen werd verkleind. Ondanks deze creatieve ingreep, kwam men halverwege toch weer bouwstoffen tekort. Bleek dat alle zwarte priesters plots een mooier huis hadden met nieuwe stenen en dakpannen. Een mirakel!
  • Ambiance in de mis! De plaatselijke priesters hebben een, wat men noemt, flexibele houding tegenover het celibaatschap. Priesters met kinderen zijn absoluut geen uitzondering. Een aantal jaren geleden brachten enkele parochianen in volle mis het gestorven kind binnen van de dienstdoende priester en deponeerden het daarna met een zwierig gebaar op zijn keukentafel. De man die net bezig was met het lichaam van Christus mocht zich gaan bezig houden met meer aardse zaken, nl. dat van zijn kind.
  • Lang geleden besliste de Duitse Staat geld te schenken aan de bisschoppen voor de bouw van een universiteit. Die kwam er nooit, het geld verdween.
  • Wat de nieuwe regering, de hoop van het Westen, vooral bewezen heeft is dat het geld kan achterover drukken. Er zijn enkele positieve punten: de inflatie is onder controle en de soldaten verdwijnen in grote delen van het land uit het landschap. Toch blijft de balans, ondanks het internationaal enthousiasme, bedroevend pover. Liever eerst de zakken vullen, en intussen de ambtenaren, soldaten, politie en leraars onbetaald laten.

OPNIEUW ANTONOVSGEWIJZE DOOR HET KONGOLESE LUCHTRUIM

We dronken nog een laatste Skol op de Barza tot we de Antonov hoorden langsrazen.

Een kwartier later stonden we op het vliegveldje en bleken dezelfde Russische piloten van de partij. Ze leunden achteloos tegen het landingsgestel en aten bananen. De schil legden ze op de door en door versleten banden van hun cercueil volant. Intussen kochten ze trossen bananen en groenten in, ongetwijfeld voor hun eigen handeltje in Kinshasa.

Toen we instapten begon iedereen te drummen en te roepen, handen met ticketten werden naar voren geduwd. Iedereen wou als eerste binnen om zo een zetel te bemachtigen.

Aagje en ik moesten een paar mensen laten voorgaan en toen we ons door de hoop bagage naar binnen wurmden, was het niet alleen immens warm, maar leken er op de koop toe geen vrije plaatsen meer beschikbaar in de met een visgeur doordrongen passagiersruimte. Een dikke zwarte man in een groen pakje vond dat blijkbaar leuk, want hij riep “Mondele”(= blanke), wees naar ons en lachte luid.

“En hij vindt dat geestig” beet ik hem in het West-Vlaams toe, waarop een jongeman tegenover hem repliceerde met: “ik spreek Vlaams!”. Hij wees mij de vrije zetel naast hem aan en ook Aagje vond wat verder een laatste plaats. Hij legde uit dat zijn vader Zaïrese consul geweest was in Antwerpen en dat hij in Moeskroen had gestudeerd. Hij had zelfs een tijdje in  Zwevegem en Harelbeke gewoond.

Daar zat ik dan, ergens in Noord-Kongo in een gedeukte overvolle Antonov naast een Vlaams sprekende zwarte die op 10 km van mijn deur gewoond had.

Moest U het nog niet weten: de wereld is dus echt wel klein.

De man van de hydraulische laaddeur krikte het vliegtuig toe en de temperatuur bleef stijgen. Ik kreeg het onaangename gevoel dat ik in een sauna zat zonder uitgang.

De kerel in het groene pakje haalde een handdoekje boven en veegde er de zweetparels op zijn hoofd en lijf mee af. Het zweet gutste van me en in een mum van tijd was ik doornat. Enkelen zwierden een doekje in het rond om zich wat koelte toe te wuiven.

Ik bestudeerde nog even de verhitte binnenruimte van het toestel. De geblutste witgeschilderde metalen cirkels rond de ruitjes deden me denken aan patrijspoorten van een negentiende-eeuwse sloep waarmee we ooit in Noord-Holland gezeild hadden. De grijze bedekking van het plafond kwam hier en daar los. Een netje met gedroogd apenvlees lag tussen een matras en een tros bananen salmonella te kweken.

Tot onze opluchting begon het vliegtuig te taxiën en dra stegen we op. De temperatuur daalde na een tijdje weer tot een aanvaardbaar niveau en het overgrote deel van de passagiers viel in slaap.

Ik vroeg de man naast mij wat hij in het dagelijkse leven deed en hij antwoordde mij dat hij “homme d’affaires” was. Toen ik naar meer details viste zei hij dat hij “dans le bois” zat en in één zucht probeerde hij mij 45 kubieke meter afromosia hout te verkopen. Om op goede voet te blijven zei ik dat ik zijn vraag ging doorgeven “aan een vriend die in het hout zat”.

Daarop vroeg hij mijn naam en telefoonnummer. Daar had ik niet op gerekend, en helaas had hij mijn naam op mijn ticket gezien. Ik dacht even na en gaf hem toen maar mijn juiste naam en een verkeerd nummer.

TERUG IN KINSHASA

Onze laatste uren in Kinshasa staarden we van op het dak van de Procure naar de Kongostroom en het tegenoverliggende Brazzaville. Af en toe kwam een overvolle ferry langs.

Mijn gedachten gingen uit naar Sango Carlosi.
Hij had alle kwaliteiten van de succesvolle West-Vlaamse zakenman. Koppig doorzettingsvermogen, intellect, flexibiliteit, humor en een no-nonsense mentaliteit. Was hij in België gebleven dan was hij nu waarschijnlijk een succesvolle ondernemer.

Nu was hij ook een entrepreneur.
Maar dan wel een entrepreneur in goede werken.

CONCLUSIE

De enige hoop voor dit reusachtige land dat stilaan naar bangelijke laagtes aan het wegglijden is, is een nieuwe generatie mensen met hoog onderwijsniveau.

Mobutu heeft indertijd de ganse schoolstructuur laten doodbloeden en het niveau van het staatsonderwijs is zo ontstellend zwak geworden dat de enige hoop privé-onderwijs is. Dit wil zeggen: de ouders moeten bijdragen tot de financiering van de leraars. Sociaal onrechtvaardig? Misschien, maar het alternatief is een zwart gat van ongeletterde mensen .

De hoop ligt in een nieuwe generatie jongeren die het corrupte zootje laag opgeleide kleptomane fils-a-papa’s in Kinshasa kan vervangen.

Francis Maselis, 24 Januari 2004.